14 oktober 2020

Kankerbehandeling van de toekomst is tumor te slim af

Waren het tot de vorige eeuw vooral chemotherapie, radiotherapie en chirurgie die werden ingezet, de afgelopen decennia ontstonden er steeds meer nieuwe behandelingen en oplossingen om kanker in een zo vroeg mogelijk stadium aan te pakken. 

Recent werd hoogleraar en hoofd Medische Oncologie, Vivianne Tjan-Heijnen, geïnterviewd voor de rubriek "Health" van Innovation Origins. Tjan ziet moleculaire diagnostiek als de toekomst. “Vroeger keken we alleen maar door de microscoop en maakten we analyses van de receptoren, de zogenaamde bindingskenmerken. Tegenwoordig kijk je veel meer naar het DNA-materiaal in de kern van de cel. Deze genetische informatie kunnen we gebruiken om het subtype van de gevonden kanker te bepalen. Dat kun je relateren aan de prognose en het zegt iets over de kans of een bepaalde behandeling aanslaat of niet. Bij patiënten met uitgezaaide borstkanker, maar ook bij andere kankersoorten, zie je dat we steeds meer de diepte ingaan in de analyse van tumorkenmerken”, vertelt Tjan. Als we weten uit welk DNA een tumor bestaat, is een doelgerichte behandeling mogelijk. Een tumor kan juist gevoelig zijn voor hormoontherapie, maar niet voor chemotherapie.

Deze behandelingen zijn indrukwekkende ontwikkelingen die patiënten veel meer opties bieden dan ze ooit hebben gehad. Moleculaire diagnostiek, neemt nu echt een vogelvlucht, zegt de medisch oncoloog. In het Center for Personalized Cancer Treatment werken artsen, onderzoekers en Nederlandse ziekenhuizen samen aan steeds persoonlijkere behandelingen van kanker.

Collega hoogleraar Pathobiologie van kanker, Manon van Engeland, onderzoekt additionele afwijkingen op het gen-materiaal, oftewel epigenetica. Een DNA-afwijking is een afwijking in het gen-materiaal. DNA kan echter normaal zijn, maar afgeschermd worden, waardoor dat gen niet meer zichtbaar is of het kan juist wel zichtbaar gemaakt zijn. Door epigenetische factoren in kaart te brengen, is de prognose van een patiënt soms nog beter te bepalen en welke extra behandelingen nodig zijn. Dit onderzoek zit grotendeels nog in de laboratoriumfase van onderzoek, maar het ziet er hoopvol uit. 

Lees het volledige artikel hier.