Behandeling

Welke behandeling voor u het meest geschikt is, is afhankelijk van het stadium van de ziekte, uw algemene conditie en uw leeftijd. Ieder mens en elke ziekte is uniek en daarom kan van onderstaande behandeling altijd worden afgeweken. U bent zelf degene die beslist of u de voorgestelde behandeling wilt ondergaan.

MPN’s zijn ziekten die nog niet te genezen zijn. Zonder behandeling kunnen ze voor veel problemen zorgen. Met een goede behandeling kunnen de meeste patiënten met deze ziekte oud worden zonder al te veel bijwerkingen. De behandeling van deze ziektes is voornamelijk gericht op het tegengaan van symptomen. Deze kunnen per ziekte verschillen. Uw behandelend hematoloog stelt samen met u een behandelplan op. 

Polycythaemia Vera en Essentiële Trombocytose
De behandeling van deze ziektes heeft vooral als doel om trombose te voorkomen. Door een te hoog aantal bloedplaatjes kunnen er propjes ontstaan. Deze propjes kunnen ervoor zorgen dat een bloedvat dicht gaat zitten. Daardoor kan het bloed niet verder stromen. Dit kan ook gebeuren door te dik, stroperig bloed. Om het risico op trombose te verminderen wordt er een bloedverdunner gegeven.  Vaak wordt gebruik gemaakt van carbasalaatcalcium (Ascal) of acetylsalicylzuur (Aspirine).
Aderlaten wordt bij PV gedaan als het hematocriet gehalte te hoog is in het bloed. Hierbij wordt een hoeveelheid bloed (350ml – 500ml) afgetapt. Hierdoor daalt het aantal rode bloedcellen, waardoor het ook minder dik en stroperig wordt.
Er zijn ook middelen die de celgroei afremmen. Deze worden gegeven als de bloedwaarden heel erg hoog zijn of wanneer er andere risico's zijn. Voorbeelden hiervan zijn hydroxycarbamide (Hydrea), peg-interferon (Pegasys) en ruxolitinib (Jakavi). 

Myelofibrose 
De behandeling heeft vooral als doel om klachten (symptomen) tegen te gaan. Op die manier wordt de kwaliteit van leven beter. In de beginfase heeft de behandeling vooral het doel om trombose te voorkomen. Door een te hoog aantal bloedplaatjes kunnen er propjes ontstaan. Deze propjes kunnen ervoor zorgen dat een bloedvat dicht gaat zitten. Hierdoor kan het bloed niet verder stromen. Dit kan ook gebeuren door te dik, stroperig bloed. Om het risico op trombose te verminder wordt er een bloedverdunner gegeven. Vaak wordt gebruik gemaakt van carbasalaatcalcium (Ascal) of acetylsalicylzuur (Aspirine).
Er zijn ook middelen die de celgroei afremmen. Deze worden gegeven als de bloedwaarden heel erg hoog zijn of wanneer er andere risico's zijn. Voorbeelden hiervan zijn hydroxycarbamide (Hydrea), peg-interferon (Pegasys) of ruxolitinib (Jakavi). 
Bij te weinig bloedcellen worden er ook bloedtransfusies gegeven.
In sommige gevallen is er een andere behandeling nodig. Er wordt dan gekozen voor een allogene stamceltransplantatie, waarbij stamcellen van een donor het beenmerg vervangen. Deze behandeling kan de ziekte genezen, maar geeft veel problemen. Niet iedereen kan deze behandeling ondergaan.